AI-fotoKonijn in salmi
Konijn gemarineerd in rode wijn met kruiden en specerijen, langzaam gestoofd tot een rijke saus.
Labels worden automatisch bepaald op basis van de ingrediënten en kunnen onjuist zijn. Controleer de verpakking als dit voor jou belangrijk is.
Ingrediënten

- 1.2 kg Konijn
- 2 stuks Ui
- 1 stuks Bleekselderij
- 1 stuks Wortel
- 2 teentje Knoflook gepeld en geplet
- 2 stuks Rozemarijn
- 4 stuks Kruidnagel
- 6 stuks Zwarte peper
- 4 stuks Salie
- 2 stuks Laurierblad
- 3 stuks Peterselie
- 2 stuks Tijm
- 4 stuks Basilicum
- 1 stuks Kaneelstokje
- 1 l Rode wijn
- 6 el Olijfolie
- 2 el Bloem
- Zout naar smaak
Stappen
Verwijder van het konijn de kop, de ingewanden en overtollig vet, snijd het in grote stukken, was en dep droog.
Leg het konijn in een bak en voeg de ui, wortel, bleekselderij, knoflook, rozemarijn, kruidnagel, tijm, salie, peper, peterselie, basilicum, laurierblad en kaneel toe.
Giet de wijn erbij, voeg zout toe, dek af en marineer 12–24 uur in de koelkast.
720 minGiet de marinade af, dep de stukken droog met keukenpapier en haal ze door de bloem.
Verhit de olijfolie en fruit de tweede ui ongeveer 10 minuten op laag vuur.
10 minVoeg de ui toe aan een pan, leg het konijn erbij en bak het aan beide kanten goudbruin.
Voeg de groenten en kruiden uit de marinade toe, bak op laag vuur en roer regelmatig terwijl je af en toe marinade toevoegt.
Dek de pan af en laat ongeveer 50–60 minuten sudderen tot het vlees gaar is.
Breng op smaak met zout en peper en haal de stukken konijn apart.
Pureer de overgebleven vloeistof met een staafmixer tot een saus.
Leg de stukken konijn terug in de pan, giet de saus erover en warm alles door.
Serveer het konijn in salmi.
Dit is konijn dat eerst een nacht ligt te baden in rode wijn met alles wat een bos en een moestuin te bieden hebben, en dat daarna stoofenderwijs zijn eigen saus bij elkaar kookt. Salmi is in de grond een jachttechniek: wild dat te pezig is om zomaar te braden, wordt eerst gemarineerd om mals te worden en op smaak te komen, en daarna lang en langzaam gegaard tot de saus zelf uit het vlees en de groenten ontstaat. Geen fond uit een pak nodig, geen bouillonblokje: de pan maakt zijn eigen vocht.
Wat het gerecht bepaalt is niet de klok maar twee dingen: hoe lang het konijn in de marinade mag intrekken, en hoe lang het daarna mag sudderen tot het vlees meegeeft onder een vork. Twaalf tot vierentwintig uur marineren is een ondergrens, geen wet: hoe langer, hoe dieper de wijn en de kruiden erin trekken, maar overdrijf het niet tot het vlees grijzig en muf wordt. Het sudderen zelf duurt ongeveer drieën tachtig minuten tot een uur, maar het échte signaal is dat het vlees van het bot loslaat zonder dat je moet trekken.
Sommigen denken dat je de marinade moet weggooien omdat hij "al zijn werk gedaan heeft". Nee, want die vloeistof zit vol smaak van wijn, kruiden en groenten, en die vloeistof is straks precies de saus. Je giet hem niet weg, je kookt hem juist verder in tot hij dik genoeg is om het vlees te dragen.
Het konijn zelf is de hoofdzaak, en een gewoon fornuis thuis kan dit prima aan: geen oven nodig, geen grote hitte, alleen een pan met deksel en geduld. Verdeel het in grote stukken, zodat elk stuk genoeg oppervlak heeft om bruin te worden zonder droog te koken. Heb je geen konijn, dan werkt kip met bot en vel ook, al is de smaak minder wild en de gaartijd iets korter: let dan op dat het vlees van het bot laat, niet op de klok.
De twee uien hebben elk een andere taak. De eerste trekt in de marinade mee en geeft zijn geur af aan de wijn; de tweede wordt apart gefruit tot hij zacht en goudkleurig is, en dat is de basis die straks mee gepureerd wordt tot saus. Laat die tweede ui rustig op laag vuur: je herkent het juiste moment niet aan tien minuten, maar aan de geur die van scherp naar zoet omslaat en de kleur die van wit naar lichtgoud gaat. Haast je hier, dan proef je straks rauwe ui in de saus.
Wortel en bleekselderij zijn er niet om zelf opgegeten te worden, maar om mee te koken in de marinade en later mee gepureerd te worden tot de saus body krijgt. Heb je geen bleekselderij, neem dan iets met diezelfde kruidige bitterheid, zoals de blaadjes van selderij zonder de stengel. De knoflook geplet, niet fijngesneden, want geplet geeft hij zijn aroma langzaam af aan de wijn zonder bitter te worden.
Dan de stapel kruiden: rozemarijn, salie, tijm, laurier, basilicum, peterselie, kruidnagel, peper, kaneel. Dat lijkt overdadig, maar in de salmi-traditie dient die hele bos om de wildsmaak van het konijn te temperen en de wijn structuur te geven, niet om zelf te overheersen. Heb je niet alles in huis, kijk dan naar wat deze kruiden gemeen hebben: houtig en droog aroma, geen frisse kruiden zoals munt of dille die hier niet passen. Mis je er twee of drie, dan merk je dat niet; mis je ze allemaal, dan heb je gewoon konijn in wijn, geen salmi.
De bloem waar je het vlees na de marinade doorheen haalt, doet twee dingen: ze geeft een korst die bruin kleurt in de pan, en ze bindt straks mee in de saus zodat die niet waterig blijft. Dep het vlees eerst goed droog voordat je het bloemt, anders blijft de bloem klonteren in plaats van een velletje te vormen, en dat velletje is precies wat voorkomt dat het vlees zijn sap te snel verliest in de pan.
De wijn is de drager van alles: smaak, kleur en uiteindelijk de saus. Een gewone rode tafelwijn is hier voldoende, je hoeft geen fles open te trekken die je ook zou drinken bij het eten. In Nederland serveer je dit gerecht het makkelijkst met aardappelen, gekookt of in puree, zodat ze de saus opvangen zoals brood dat bij het ontbijt met boter doet: hier is de saus het beleg.